Jurisprudentie

LJN: BO8117, Gerechtshof Leeuwarden , 24-002681-09


Datum uitspraak: 07-12-2010
Datum publicatie: 21-12-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Verdachte wordt ter zake van winkeldiefstal veroordeeld tot een geldboete van € 75,-. Bij de strafmaat is rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte € 151,- als schadevergoeding heeft betaald aan de Stichting Overlastdonatie.

Parketnummer: 24-002681-09
Parketnummer eerste aanleg: 18-020862-09

Arrest van 7 december 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 21 oktober 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [1958] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres],

ter terechtzitting van 1 maart 2010 wel, maar ter terechtzitting van 23 november 2010 niet verschenen.

Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens eenmisdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelentot een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 30 maart 2009, in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 slotplaatjes en 4 schroeven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [slachtoffer], in elk geval aan eenander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 maart 2009, in de gemeente [gemeente], opzettelijk 2 slotplaatjes en 4 schroeven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende(n) had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd(e) goed(eren) te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat/die goed(eren) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Overweging
Verdachte heeft ter zitting van het hof op 1 maart 2010 naar voren gebracht dat hij, nadat hij op 30 maart 2009 door beveiligers van [slachtoffer] werd aangehouden wegens winkeldiefstal, een overeenkomst heeft ondertekend waarin hij zich akkoord verklaarde met betaling van een bedrag van €151,- aan [slachtoffer]. De inning van deze vordering werd overgedragen aan de Stichting [naam]. Met betaling van dit bedrag zou de zaak afgehandeld zijn, zo zouden de beveiligers verdachte hebben medegedeeld, met de kanttekening dat [slachtoffer] wel verplicht was om aangifte te doen bij de politie.

Bij tussenarrest van 15 maart 2010 heeft het hof beslist dat door de advocaat-generaal nader onderzoek diende te worden gedaan omtrent de gang van zaken rond het sluiten van een dergelijkeovereenkomst tussen verdachte en aangever bij betrapping op heterdaad bij een winkeldiefstal. Het hof wenste geïnformeerd te worden over eventueel bestaande afspraken tussen winkeliers dan wel de Stichting [naam] en politie en justitie met betrekking tot de strafvervolging. Daarbij diende in ieder geval antwoord te worden gegeven op de volgende vragen:
- Zijn er afspraken gemaakt tussen de winkeliers dan wel voornoemde stichting enerzijds en politie en justitie anderzijds aangaande de betreffende overeenkomst? Zo ja, welke zijn dat?
- Heeft het ondertekenen (en nakomen) van de betreffende overeenkomst door een verdachte invloed op de beslissing om al dan niet een strafvervolging in te stellen dan wel een transactie voorstel te doen? Zo ja, wat is het vervolgingsbeleid in dat geval? Of en in hoeverre vindt communicatie en informatie daaromtrent richting verdachte plaats?

In een aanvullend proces-verbaal van 17 mei 2010 heeft verbalisant [verbalisant] van de politie [plaats] bericht dat er geen afspraken zijn gemaakt tussen de Stichting [naam] enerzijds en de politie en justitie anderzijds. Er is enkel sprake van een overeenkomst tussen de bij de stichting aangemelde winkelier en de Stichting [naam]. De winkelier heeft tot taak om de verdachte uit te leggen wat de Stichting [naam] inhoudt en dat dit los staat van het strafrechtelijke gebeuren. Het ondertekenen en nakomen van de overeenkomst heeft geen invloed op de strafvervolging. Het bedrag dat dient te worden betaald aan de Stichting [naam] betreft een vastgesteld bedrag van € 151,-, gebaseerd op de kosten die winkeliers gemiddeld maken.

Het hof overweegt dat de hierboven beschreven situatie verwarring kan wekken, omdat de politie er een rol in lijkt te spelen. In de overeenkomst wordt immers door middel van een proces-verbaalnummer verwezen naar het politieonderzoek en in het ambtsedig proces-verbaal wordt verwezen naar de overeenkomst.
Uit de informatieverstrekking op de achterzijde van de overeenkomst blijkt evenwel genoegzaam dat de overeenkomst geheel los staat van een eventueel strafrechtelijk traject. Dat verdachte dit anders heeft begrepen, is niet te wijten aan de opstelling of uitlatingen van de politie of justitie.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat door politie en/of justitie niet onzorgvuldig is gehandeld en er geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de zaak met het betalen van de schade aan genoemde stichting zou zijn afgedaan.
Nu evenmin is gebleken dat doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is gehandeld, is er geen reden om tot toepassing van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering over te gaan.

Bewezenverklaring
Het hof acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 30 maart 2009, in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 slotplaatjes en 4 schroeven, toebehorende aan het winkelbedrijf [slachtoffer].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeldprimair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: diefstal.

Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon van verdachte en diens financiële draagkracht, voor zover daarvan ter zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 30 maart 2009 schuldig gemaakt aan winkeldiefstal door 2 slotplaatjes en 4 schroeven uit de [slachtoffer] weg te nemen. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat schade overlast voor de winkeliers met zich meebrengt. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het desbetreffende winkelbedrijf.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van15 maart 2010 is gebleken dat verdachte een bedrag van € 151,- aan de Stichting [naam] heeft overgemaakt, ter voldoening van de door hem veroorzaakte schade. Hiermee zal het hof in de strafmaat rekening houden.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 september 2010, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een geldboete van € 75,- passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfenzeventig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. J.A.A.M. van Veen en mr. M.F.H.M. vanHaastert, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde mr. M.F.H.M. van Haastert buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.